Kaprijke | Caprycke

Kaprijke... (Nederlands)

(for English... scroll down)
(voor de foto's, zie onderaan | for the pictures, scroll down)

Kaprijke is een plaats en gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen die bestaat uit 3 deelgemeenten: Kaprijke, Lembeke en (een deel van) Bentille. De gemeente ligt in het noorden van de regio Meetjesland, niet zover van de Nederlandse grens.

Kaprijke heeft een geschiedenis die teruggaat tot de Romeinse tijd en had tot de Franse Revolutie stadsrechten (verkregen, samen met Eeklo, in de 12de eeuw door Johanna van Constantinopel).

Kaprijke maakt deel uit van de Vlaamse Zandstreek. Dit gebied is nagenoeg vlak. Het landschap is overwegend een oud ontginningslandschap ontgonnen van zee moerassen en moeren.

Kaprijke is ook het dorp waar ik leef. Het is heel landelijk en niet ver van de polders en kreken waar het aangenaam fietsen en wandelen is, en... landschapsfoto's te nemen is.

De naam Kaprijke komt zeer waarschijnlijk van de Gallo-Romeinse naam "Capriacum" wat zoveel betekent als 'Goed van Caprius' (Caprius is een persoonsnaam). De Romeinen, die de nederzetting bouwden, sloegen in de 5de eeuw op de vlucht voor invallende Germanen. Van het huidige Kaprijke is voor het eerst sprake rond de 13de eeuw, na een periode van zes eeuwen verlatenheid. In 1240 kreeg Kaprijke een keure van Johanna van Constantinopel waarmee het dus stadsrechten had.

Gedurende de middeleeuwen was een groot gedeelte ervan met heide en moeras bedekt, en diende Kaprijke te worden beschermd tegen de vernietigende invloeden van de zee, dit werd gedaan door de aanleg van de Graaf Jansdijk. Die liep van Antwerpen over Bentille naar Knokke. Deze dijk kon echter niet verhinderen dat Kaprijke in 1403 toch grotendeels overspoeld geweest is.
In de late middeleeuwen was Kaprijke een vrij welvarend 'stadje', vooral door aandeel van de lakenindustrie. Het Kaprijks laken was tot ver buiten de grenzen bekend om zijn hoge kwaliteit.

In de 16de eeuw werd Kaprijke gekweld door godsdienstoorlogen die verschrikkelijke plunderingen met zich meebrachten, vooral na de Geuzenberoerten in 1574 en nog erger in 1583. Meer dan 20 jaar lang was Kaprijke verwoest en verlaten. Vanzelfsprekend was de nijverheid ook helemaal ten onder gegaan en het kwam er nooit meer tot volle bloei. Alles werd in het werk gesteld om het stadje herop te bouwen, wat dan weer resulteerde in extra belastingen. Een poging in de goede richting in het midden van de 17de eeuw was het graven van het Kaprijks vaardeken, een kanaal dat Kaprijke langs Lembeke, Sleidinge en Kluizen met Gent verbond.

In 1763 stroopten de Franse legers alles leeg, dit was nog niet het einde van alle ellende want in 1783 vielen diezelfde Fransen weer binnen, ditmaal onder aanvoering van maarschalk d'Humières. De bestuursleden waren gevlucht en niemand kon ontkomen aan de zware brandschatting (de bewoners moesten belasting betaling aan de invaller, met brandstichting als straf indien niet aan de eisen konden worden voldaan).

In de 18de eeuw kende Kaprijke (zoals trouwens gans Vlaanderen) een betrekkelijke rust en bloei. Dit veranderde echter toen het samen met de omliggende streken aan het eind van de 18de eeuw opnieuw door de Fransen werd veroverd. Kaprijke verloor haar stadsrechten, maar werd wel hoofdplaats van een kanton. Napoleon vaardigde een wet uit waarbij jonge mannen verplicht met het Franse leger moesten strijden. Toen velen in de kleemkapel de Onze-Lieve Vrouw aanriepen een goed lot te trekken om zo van de legerdienst gevrijwaard te zijn, vernietigden de Fransen ook nog de kapel.

Rond 1830, toen België onafhankelijk werd, was Kaprijke voornamelijk op landbouw afgestemd. Toch was er nog zo'n 1/4 bos en heide. Weven en verwerking van vlas gebeurden vooral in de winter.

Kort na de helft van de 19de eeuw kwam de grote industriële crisis over de streek met een sterke daling van de algemene welvaart als logisch gevolg. Van de ongeveer 750 families die Kaprijke toen telde, konden er zich rond 1855 slechts een honderdtal zichzelf welstellend noemen. De kleine landbouwers, wevers, herbergiers en veldarbeiders konden nog net rondkomen. Maar 1/3 van de bevolking was aangewezen op den Armen. Vandaar dat toen heel wat gezinnen de tocht naar Amerika waagden, hopend op betere omstandigheden aldaar.

In 1871 kreeg Kaprijke een halte op de spoorlijn Eeklo-Zelzate. Doch behalve een straat die Stationstraat heet is alles al jaren verdwenen, voornamelijk door de komst van de auto. De spoorwegbedding is nu een fietspad. Ook de tramlijn, die Eeklo over Kaprijks grondgebied met Watervliet verbond, werd hier het slachtoffer van.

De gemeente kreeg haar huidige vorm op 1 januari 1977 toen, in kader van de eenheidswet, het aangrenzende Lembeke en een deel van Bentille bij Kaprijke werd gevoegd.

(bron https://nl.wikipedia.org/wiki/Kaprijke)

Kaprijke... (English)

(for pictures, scroll down)

Kaprijke is a village in the belgian province of East Flanders. De village is situated in the region Meetjesland, has a surface of 33,71 km² (about 13 square miles)  and has about 6000 inhabitants, called "Kaprijkenaars".

Kaprijke has a history that goes back to Roman times and until the french revolution was known as a city. These city rights were given in the 12th century by Johanna of Constantinopel.

Kaprijke is part of what is called the Flemish Sand Region. This region is as good as flat. De lowest point is 4 m (about 13 ft) and thet highest point is 11 m (about 36 ft). You can find the lowest part to the north of Kaprijke. The landscape is mainly reclaimed land, characterized by a recurrent mozaic patern of rectangular percels of land.

The name "Kaprijke" originated, probably, from a Gallo Roman name "Capriacum" which means property or land owned by Caprius (Caprius is a personal name). The Romans, which builded this settlement, fleed during the 5th century for the invading Germanic trybes. The first written account of Kaprijke happened in 1240 after 6 centuries of  desolation. Johanna of Constantinopel issued a "keure" (a written agreement which gives rights) to the settlement to be called "a city".

During the Middle Ages the landscape around Kaprijke consisted of heather and marshes had to be protected against the destructive influences of the sea. A dyke from Antwerp over Bentille to Knokke was build, called "Sint-Jansdijk". In 1403, however, this dyke was not strong enough to prevent a major flooding of Kaprijke. In the late Middle Ages Kaprijke was a quite prosperous town thanks to the homemade cloth industry which was sold in Ghent. The high grade cloth, woven by the local farmers during winter, was wel known beyond.

During the 16th century Kaprijke had to endure the religious wars between Spain and Holland. Looting and murder occured often and after the fights in 1583 Kaprijke was destroyed and abandoned for over 20 years, destroying and never regaining its cloth industry. Later on a rebuild was done, not so succesfully, and to enhance the trade with Ghent a small canal was dug.

In 1763 the french army poached everything, and to make things worst those same french army did over 20 years later. This time they imposed heavy war taxes (when people could not pay the taxes there house were looted and burned down).

The 18th century was (like in the rest of Flanders) a period of relative rest en prosper. This changed in the end of the 18th century when the french army, again, conquered Flanders. Kaprijke got demoted from a city to a village and Napoleon enacted a law to enlist the men into his army. When a lot of the then very religious men came to prey and asked for guidance in the "Kleemkapel" (a chapel) it was destroyed by the french.

In 1830, when Belguim gained independence, Kaprijke was focused on agriculture. Still a quarter of its surface was forest and heather. Weaving and flax processing happened maenly during winter.

In the second half of the 19th century a great industrial crisis occured in the region causes a severe downfall of prosperity. Of the approximately 750 families living in Kaprijke around a 100 could make a living of its professional activities. The small farmer, weavers and field workers were barely surviving and were dependent of well care. That is why a lot of those families tried their luck by immigrating to the United States.

In 1871 a train station was build in Kaprijke, connecting it to Eeklo and Zelzate. Later on a tram way with a stop in Kaprijke was build from Eeklo to Watervliet. The arrival and popularisation of the car made both public transports unnecessary.

The current state of Kaprijke has been formed in 1977 by fusing Lembeke and a part of Bentille with Kaprijke.