Het meetjeslandse krekengebied

(for English... scroll down)
(voor de foto's, zie onderaan | for the pictures, scroll down)

Het Meetjeslands krekengebied is een streek in het uiterste noorden van de provincie Oost-Vlaanderen, tegen de Nederlandse grens. De streek maakt deel uit van het Meetjesland. Het krekengebied ligt verspreid over de gemeenten Sint-Laureins en Assenede. De streek is populair onder fietsers door de weidse vergezichten en de grote waterplassen, kreken genaamd. De kreken zijn restanten van vroegere, grote overstromingen. Het Meetjesland wordt doorsneden door het Leopoldkanaal dat werd aangelegd voor de afwatering van het gebied, nadat Nederland na het uitroepen van de Belgische onafhankelijkheid de afvoer van water naar de Westerschelde (via de Braakman) had afgesloten.

Geschiedenis
Krekengebied bij Sint-Margriete en Sint-Jan-in-Eremo. Het westelijke onderdeel van het krekengebied sluit aan op het krekengebied in West-Zeeuws-Vlaanderen en wordt naar het zuiden toe begrensd door de historische Graaf Jansdijk.

Het geheel is een vlak landschap waarvan het tertiair bedekt wordt door een tot 20 meter dikke kwartaire afzetting, bestaande uit pleistoceen dekzand en daaroverheen holocene zeeklei die werd afgezet tijdens de talrijke overstromingen. Ook was er sprake van veenvorming in door duinen beschermde gebieden en laagten. Zandopduikingen (donken) en zandruggen boden de mogelijkheid tot de eerste nederzettingen.

Een belangrijke activiteit in de vroege middeleeuwen was de schapenhouderij op de schorren. Vanaf de 12e eeuw vonden er ontginningen plaats door monniken, onder meer van de Sint-Baafsabdij en de Sint-Pietersabdij te Gent. Einde 12e eeuw ontwikkelden zich steden als Gent en Brugge, en om in hun brandstofbehoefte te voorzien vond vervening plaats. Er werden sterkere dijken gebouwd en dorpen gesticht zoals Sint-Jan-in-Eremo (1311). De overstroming van 1375-1376 leidde tot het ontstaan van de Zuidzee, en het verdwijnen van diverse dorpen. Ook de Sint-Elisabethsvloed van 1404 eiste zijn tol. In reactie daarop werd de Graaf Jansdijk aangelegd, welke in het onderhavige gebied onder meer van Sint-Laureins naar Bentille en verder verloopt. Bij de aanleg van deze dijk werd gebruik gemaakt van natuurlijke zandruggen, en ze vormt min of meer de grens tussen de zeekleipolders en zandig Vlaanderen.

Werden in de 14e en 15e eeuw veel inpolderingen door monniken uitgevoerd, in de 2e helft van de 15e eeuw waren ook patriciërs uit Gent en Brugge in inpolderingen geïnteresseerd. Eén van de grote inpolderingen betrof de Jeronimuspolder (1501). De godsdiensttwisten in de 2e helft van de 16e eeuw, en de daaropvolgende inundatie van 1583, leidde tot het ontstaan van het Coxysche Gat. Tot de vertakkingen hiervan behoorden de Brandkreek en de Boerekreek, terwijl in het westen het Hollandersgat werd gevormd, waarvan de Hollandersgatkreek, de Blokkreek en de Kruiskreek nog restanten zijn. In 1570 ontstond het Haantjesgat, waarvan de Haantjesgatkreek nog rest. De kreken doorsneden de meest noordelijke zandruggen. In 1622 werd de Brandkreek uitgediept en omgevormd tot een verdedigingslinie.

Na de Vrede van Munster (1648) vonden talrijke herbedijkingen plaats volgens een ander patroon dan het middeleeuwse. In 1652 werd de Generale Vrije Polder gevormd, bestaande uit polders als de Roeselarepolder, Jeronimuspolder, de Sint-Margrietepolder, de Sint Kruispolder en de Sint-Janspolder, welke binnen een ringdijk waren gesitueerd. In 1698 kwam de Oude Haantjesgatpolder gereed, in 1750 de Nieuwe Haantjesgatpolder en in 1775 de Brandkreekpolder.

Omstreeks 1850 werd het Leopoldkanaal gegraven, dat van oost naar west door het zuidelijk deel van het gebied loopt.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog vond schaalvergroting van de landbouw plaats. Deze landbouw betrof vooral akkerbouw, vergelijkbaar met de situatie in Zeeuws-Vlaanderen.
Men onderscheidt doorbraakkreken, met relatief steile oevers, en verlande getijdengeulen, die vlakkere oevers hebben. Afhankelijk van de ondergrond, de aanwezigheid van kwel en dergelijke, kent met zoute, brakke en zoete kreken.

Bij Sint-Laureins, Sint-Margriete en Sint-Jan-in-Eremo vindt men de Blokkreek met Vrouwkenshoekkreek en Hollandersgatkreek. Ten noorden daarvan kleinere kreken als Kapitale Dam, Nieuw Haantjesgat en De Val. Daar weer ten oosten van vindt men de Bentillekreek, de Boerekreek met Oostpolderkreek, de Roeselarekreek en de Molenkreek.

Bij Assenede vindt men de Grote Geul, de Kleine Geul, de Rode Geul, de Grote Kil en de Kleine Kil. Dit waren oorspronkelijk zijarmen van de Vliet, de huidige Vlietbeek. Ook de vorm van deze kreken werd mede door menselijke objecten (wegen, dijken) bepaald.

Naast kreken zijn er in het gebied ook tal van wielen te vinden, met benamingen als Bo(o)mloze Put, Bodemloze Put en Verzeles Put. Dit zijn overblijfselen van dijkdoorbraken.

Vooral in het verleden waren de kreken bekend vanwege de palingvisserij. Tegenwoordig zijn er in de streek nog diverse palingrestaurants die teruggrijpen op deze traditie.

Creek area of Northern Meetjesland (Northern East Flanders)

(for pictures, scroll down)

The Creeks area is a location in the upper North of East Flanders, bordering the Netherlands. This region is part of what is called "Meetjesland". The Creek area is spread over the municipalities called "Sint-Laureins" (Saint-Laurence) and "Assenede". The region is popular amongs cyclists because of the wide vistas and the large ponds called "Kreken" (Creeks). Those creeks are remnants of earlier, large floods. The Meetjesland is traversed by the Leopoldskanaal (Canal Leopold) which has been dugged to drain the area of its surplus of water, after Holland cut off the drainage channel going to the Westerschelde via the Braeckman after the independence of Belgium.

History.
The creek area nearby Sint-Margiete (Saint Margret) and Sint-Jan-in-Eremo (Saint John of the poor). The western creek area is part of Western Dutch Zeeuws-Vlaanderen and is bordered by the historical dyke called Graaf Jansdijk (Dyke of count John). The entire area is a flat landscape. At the start of the existence of this area there were dunes and peat formation in the dune depressions. Sandy heights made it possible to the first human settling.

Until the early Middle Ages sheep farming was the main activity in the salt marches. In the beginning of the 12th century monks of 2 abbyes in Ghent start developping this area by building dykes. In those time cities like Ghent and Bruges needed fuel and peat was mined. Stroger dykes were build and villages were founded, like Sint-Jan-in-Eremo (the early name was Sint-Jan-ten-Arme). The floods of 1375-1376 lead to the emergence of the "Zuiderzee" and several villages were lost. As a reaction of the flooding of 1404 a larger and stronger dyke was build called "Graaf Jansdijk". This dyke goes from Knokke to Antwerp and was at that time a huge untertaking. Constructing this dyke they used existing of natural sandy hights and funtions as a natural border between the claypolders and sandy Flanders.

In 14th and 15th century impolder was done by monks. In the second half of the 15th century some rich families, called patricians, were involved. On of largest impolder called "Sint-Jeronimuspolder" was done in 1501. The religious wars between the catholic south and the protestant north in the second half of the 16the century and the inundations of 1583 lead to the creation of the creek (Coxysche gat), subsequently creating the "Brandkreek" and the "Boerkreek". Other creeks were made by consecutive fights.

After the peace of Muntser in 1648 the impoldering continued. In 1652 the land continued to be reclaimed and the polders: "Roeselarepolder", "Jeronimuspolder", "Sint-Margrietepolder", "Sint-Kruispolder" and "Sint-Janspolder" were made. In 1698 the "Oude Haantjesgatpolder" was made, in 1750 the "Nieuwe Haantjesgatpolder" and, as last, in 1775 the "Brandkreetpolder".

Around 1850 the "Leopold Channel" (Leopoldskanaal) was dugged, going from "Boekhoute" to "Zeebrugge".

Especially after the second world war there was a serious increase of agricultural activities.

Several different kind of creeks are know and except for slight visual differences of the shore the composition of the water is the main difference. Sweet, brakish and salt water creeks are common.

Especially in the past the creeks were known for the abbundant presence of eel. Nowadays, still, eel can be eaten in all flavours in eel restaurants which continue the traditions.